De indrukwekkende lijst schrijvers van onze Limburgse dialectavond is bij deze ‘up to date’.

Even bezijden van deze dialectavond toch iets wat ook mij steeds opvalt en niet alleen binnen het schrijversvak. Wat zijn er toch eigenlijk weinig vrouwen die binnen het aandachtsveld komen. (Op deze avond twee, nou ja ik mag presenteren!)

Toevallig net een column gelezen van Jolien Janzing, schrijfster van o.a. De Meester waarvan ook een verfilming op stapel staat. Zij pleit voor het doorbreken van ‘het mannenbolwerk’ en wel omdat ‘de viriele schrijfstijl van de mannelijke schrijvers er inmiddels wat slap bijhangt’. Opmerkelijk is dus volgens haar, dat vrijwel alleen mannen literaire prijzen ontvangen. In de column volgt een lange lijst van inderdaad treurige onderscheidingen voor vrouwen, in aantal althans. Het artikel is te lezen in NRC de donderdag opiniebijlage.

Ik moet dan inderdaad constateren dat mijn eigen waarnemingsvermogen toch betrekkelijk de realiteit benadert. Ik ben vaker van feminisme beschuldigt – wat zwaar overtrokken is, want ik sta emancipatie van alle geslachten voor – maar dat de vrouwen toch steeds zwaar op achterstand liggen in toonaangevende posities is toch door niemand meer te ontkennen. Vaak wordt ik dan ook door vrouwen met een frons bekeken, alsof de vuile was vooral niet buiten moet komen hangen. Maar het kan ook zonder dat je de bitch moet uithangen, want dat schijnt dan automatisch de gedachte te zijn. Het niet sexy zijn van vrouwen die gewoon professioneel werken en er werkelijk toe doen, is meer dan misplaatst.

Maar nu waar het eigenlijk over zou gaan, de biografieën.

Marleen SchmitzMarleen Schmitz is auteur van romans, kinderboeken, verhalen, gedichten en columns. Ze is in Montfort geboren en opgegroeid en schrijft sinds 2004 in het Nederlands en in het Limburgs. Eerder werkte ze als bibliothecaris, administratief medewerker en secretaresse.
Haar eerste boek, Met tegenliggers, een verhalenbundel voor volwassenen, verscheen in 2006. Daarna volgden nog vijf kinderboeken.
In 2012 won ze de Veldeke literatuurpries met het Limburgse verhaal: ‘Tössetied’.
Haar eerste twee romans, (Twee zussen, drie levens en Tussen twee grenzen) verschenen in 2013; de derde roman staat gepland voor einde 2014.
Meer over haar is te lezen op: http://www.marleenschmitz.nl

Gerard VromenGérard Vromen (* 1951 Schinveld) als onderwijzerszoon geboren en getogen in Limburg, studeerde geschiedenis in Nijmegen, verkaste naar Brabant en woont in Eersel, een der Acht Zaligheden en Parel van de Kempen. Archivist , denker, dichter, van jongs af aan geboeid door taal in al haar facetten, maar begon pas op latere leeftijd poëzie te schrijven, gegrepen door het werk van J.J. Slauerhoff en R.M. Rilke .
Lid van het Roermonds Literair Broederschap ( uitgave Cuyperskoorts), de Poëzieclub Eindhoven en Veldeke Limburg. Af en toe schrijft hij ook in zijn Limbugse moeder-streektaal in de rubriek Veldgewas van Veldeke. Hij publiceerde tot nu toe voornamelijk op internet, in enkele tijdschriften en verzamelbundels en zat eenmaal bij de top 100 van de Turing gedichtenwedstrijd. Af en toe draagt hij zijn gedichten voor, zoals in Maastricht, Breda, Roermond , Eindhoven en een enkele keer in Eijlders. Die eerste bundel laat al veel te lang op zich wachten en het moet er maar gauw een keer van komen.

allein_HarHar Sniekers (Thorn, 1949) was werkzaam als leraar in het basisonderwijs.
Won in 2004 met zijn gedichtencyclus Zelfgezichter de Veldeke Literatuurprijs en werd in 2008 opnieuw genomineerd met de gedichtenreeks Deile.
Hij vertaalde vier kinderboeken uit het Duits, is lid van de Schrijverskring Midden-Limburg en redacteur van de werkgroep Thoears Woeardebook.
Houdt voordrachten met zijn dialectpoëzie en treedt als stadsdichter op in het literair-cultureel café Thorn Metronoom.wimkuipers

Tja, biootje. Daar gaan we …

Wim Kuipers (Maasniel 1939) studeerde na zijn HBS-B Nederlands. Paar jaar leraar, ordeproblemen, dus besloot hij journalist te worden. Werkte achtereenvolgend in Eindhoven, Amsterdam, Hilversum, Nijmegen en van 1983-1999 in Maastricht – De Limburger. Begon daar de Limburgse taal te promoten. Allereerst in de wekelijkse rubriek Letterbak. Was de eerste die de literatuurprijs van Veldeke kreeg (1992), voor het begin van zijn befaamde gedicht Neel ; uitgegeven 1997, daarna herzien in de bundel Kaoleries en Neel (2002). Voor Neel en zijn taalkundige werken kreeg hij in 2000 de prijs voor de Limburgse volkscultuur, de Jo Hansen Prijs. Drie jaar geleden begon hij met Veldgewas: een werkgroep voor de bevordering van de Limburgse poëzie.

En met een dubbelrol verdien je natuurlijk ook meer ruimte, een kijkje in de ziel van Paul Weelen, schrijver/uitgever. En zanger op deze avond.Paul Weelen

Als kind was hij al altijd aan het schrijven. Op weg van huis naar school (als 11-jarige) bijvoorbeeld maakte hij ter gelegenheid van de viering van het vijfentwintigjarig bevrijdingfeest een liedje “25 jaar vrij en daarom zijn wij zo blij” Omdat er toen nog nauwelijks opnameapparatuur was, leerde hij zich het notenschrift. Ook de dood van zijn Oma was voor hem aanleiding tot een lied “Wenn ich einmal sterben muss, gib mir dann den Abschiedskuss”
In de middelbare schooltijd maakte hij deel uit van diverse bandjes waarvoor hij ook de liedjes schreef. Deze keer in het Engels. Bovendien raakte hij toen bedreven in het mixen van muziek. Hierbij gebruikte hij drie cassetterecorders, waarop elke partij afzonderlijk werd opgenomen.
Op de middelbare schooltijd schreef hij ook zijn eerste roman: “Een eigen remspoor in de sneeuw” en alhoewel de docente Nederlands er bemoedigend over sprak belandde dit werk in een la.
Vanuit het idee van de Poeta Doctus, de geleerde poëet, wilde hij alles kunnen maken. Hij verdiepte zich daarom niet alleen in literatuur, maar ook in muziek, theater, film etc. Hij koos aanvankelijk ook het breedste vakkenpakket, dat echter spoedig niet haalbaar bleek en uiteindelijke neerkwam op een A pakket met wiskunde. Hij voelde zich aangetrokken tot het begrip “Gesammtkunstwerk” en ging ook tekenen en schilderen, fotograferen en theater maken.
Verzot op literatuur ging hij na de middelbare schooltijd in Utrecht Nederlands studeren. In Utrecht voelde hij zich niet echt op zijn gemak. Zijn gram over het gebrek aan acceptatie haalde hij in zijn gedicht “Zacht”.
Inmiddels kende zijn schrijverscarrière een eerste doorbraak: zijn dialectroman: “Tsoeker óp de Miemele” werd gepubliceerd in 1980.
Het destijds bij alle wetenschappelijke opleidingen verplichte tentamen statistiek vormde de eerste struikelblok. Na een zeer teleurstellend tentamen poëzie-analyse verruilde hij Utrecht na twee jaar voor de Lerarenopleiding te Sittard om vervolgens zijn doctoraal Nederlands in Nijmegen te behalen.
Leraar worden was echter voor hem geen optie, zodat hij na veel omzwervingen uiteindelijk samen met zijn partner Luiz Oliveira Uitgeverij TIC startte. Daarnaast bleef hij schrijven: romans, verhalen, toneel, gedichten, liedjes.

Wat is voor hem Kunst?
In zijn jonge jaren had hij intensief contact met Jon Erkens. Jon had een verheven beeld van poëzie. Voor Paul had echter het platte, volkse ook zijn charme. Wie de volkskunst niet kent, weet niet wat de zgn hogere kunst moet zijn. Kijk maar naar vrijwel alle componisten van Dvorszak tot Mahler, ze hebben allemaal volksmuziek verwerkt, gebruikt, gestolen.
Wat kunst is kan hij niet echt benoemen. Het leidende idee erachter bepaalt de waarde. Dit gaat verder dan een concept. Een concept beschrijft hij als een keuze vanuit een optiek, een werkwijze. De beschrijving ‘Vormgeven aan een idee’ benadert zijn visie over kunst nog het meest. Het ‘maken van kunst’ is voor hem een verkeerde pretentie. Iemand die pretendeert kunst te maken is op voorhand al verkeerd bezig. Je maakt iets, punt uit. Laat de anderen maar oordelen. Kunst ziet hij toch ook als plaats- en tijdgebonden.

Tegelijkertijd ontkomt de kunstenaar niet aan enig commercieel denken. Een onderdeel van kunst maken is ook het aan de man brengen van de kunst. Zo ziet hij Picasso als iemand die er erg goed in slaagde zichzelf te verkopen.
Het vermarkten mag echter niet aan het begin van het scheppingsproces centraal staan. Kunst moet vanuit jezelf ontstaan, vanuit de idee. Voor wie is een vraag die zich pas in tweede instantie aandient. Daarbij is het lastig om de authenticiteit volledig te bewaren. Niets ontstaat uit het niets. Iedereen staat bloot aan invloeden. In de literatuur zijn daarbij de grenzen tussen plagiaat en een citaat soms erg vaag.

Taal ziet hij als een voertuig om iets te beschrijven. Het is een kunstmatig, geformaliseerd iets, maar daardoor niet minder dwingend, zoals bijvoorbeeld wetten. Zo vormt taal altijd slechts een benadering van de werkelijkheid. Het beschrevene is nooit de werkelijkheid zelf (Plato, Kant).

Vaardigheid acht hij niet noodzakelijk om een goed werk te maken. Spontaniteit is minstens net zo belangrijk. Onlangs is in de LiLiLi-reeks van Uitgeverij TIC een boek uitgegeven “D’r Herjod versjteet óch plat” waarvoor mensen gevraagd werden religieuze thema’s op papier te zetten. Hieronder bevonden zich absolute juweeltjes, zonder dat deze mensen nu echt geschoold waren in het schrijversvak.

Hij ziet het schrijven van poëzie als iets dat hem uit zijn depressies haalt. Onlangs had hij dit gevoel echter sterk. Twee dagen gewerkt aan het mixen van teksten en muziek en toen hij het af had en in zijn totaal afluisterde had hij wel een sterk hiep hiep hoera gevoel. Het is je gelukt. Soms heeft het te maken met een nieuwe techniek die je onder de knie krijgt, soms is dit echter ook niet te benoemen.

Zijn passie ligt vooral bij het schrijven, met de nadruk op het Limburgs. Dit is de taal waarin hij zich het liefste uitdrukt. In 2009 startte hij een project waarbij hij op zoek ging naar oude Kerkraadse liedjes, die het leven van alledag en hoogtij beschrijven. Deze heeft hij bewerkt en uitgegeven: “d’r Ploem is doeëd”, een CD met volksliedjes. Het liedje zelf gaat over een boosaardige veldwachter en tegelijkertijd een Kerkraadse zegswijze om bij het luiden van de doodsklok te (veronder)stellen dat er wel een Ploum gestorven is.

Van de portretkunst heeft hij het idee dat dit wel een volledig beproefd en dus ook een afgegraven onderdeel binnen de kunst is. Hij gelooft niet dat er nog veel uitdrukkingsmogelijkheden zijn die nog niet zijn onderzocht. Hierdoor kan de portretkunst hem als kunst weinig meer boeien.
Het/De idee achter het project de Stelling vindt hij uitdagend, omdat het portret verwerkt wordt in een verhaal, onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Uiteindelijk spreekt hij de waardering uit voor de beide portretten die binnen een tijdsbestek van twee uur zijn ontstaan.

Piet Poell is in deze een beetje onderbelicht maar als gastheer moet je bescheiden blijven, dus is zijn rol beperkt maar wel in het dialect. En Paul, tja…. verstaan lukt allemaal wel, maar spreken…………geen letter dialect. Hij mag zich dus beperken tot pure registratie en een kort welkomstwoord.

Aan mij, Anki Raemaekers de eer om het programma aan elkaar te praten en voor U is de rol als innemend luisteraar weggelegd. Maar in de ‘afterparty’ kunt U natuurlijk zelf een praatje aanknopen met onze geëerde gasten.

Woensdag 21 mei a.s. is onze laatste avond van dit seizoen in de literaire reeks bij Du Commerce. Bij deze dus ook hartelijk dank voor de gastvrije ontvangst door Guido Hermans en zijn team.

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s